De minister van Veiligheid en Justitie werkt aan een wetsvoorstel tot vereenvoudiging en digitalisering van het burgerlijk en het bestuursprocesrecht in het kader van het programma Kwaliteit en Innovatie rechtspraak (KEI). Wat gaat er veranderen?

In de toekomst wordt het in het civiele recht en bestuursrecht mogelijk om procedures te beginnen en processtukken in te dienen via elektronische weg, dat wil zeggen via een webportaal van de gerechten. Via dat webportaal krijgen de rechtzoekenden en hun procesvertegenwoordigers ook toegang tot alle processtukken en kan het verloop van de procedure worden gevolgd. Naast het webportaal is een systeemkoppeling voorzien, waarmee de digitale systemen van grote ketenpartners, zoals de IND, advocatuur en deurwaarders, eenvoudig kunnen worden gekoppeld aan het digitale systeem van de gerechten.

Het procederen langs elektronische weg wordt in beide rechtsgebieden verplicht voor vrijwel alle professionele partijen, zoals advocaten, deurwaarders en rechtspersonen. Professionele gemachtigden die werkzaam zijn in de incassobranche, zullen op grond van het voorgaande onder de verplichting vallen. Een uitzondering geldt voor natuurlijke personen, die niet door een professionele partij worden vertegenwoordigd. Wie niet digitaal behoeft te procederen, mag stukken op papier blijven indienen en ontvangt deze ook op papier van het gerecht waar hij procedeert.

Het digitaal procederen wordt gefaseerd ingevoerd. Voor het civiele recht wordt begonnen met een relatief klein aantal zaken, te weten die waarbij professionele rechtsbijstandverleners betrokken zijn. In een latere fase wordt het digitaal procederen ook mogelijk voor kantonzaken (incassoprocedures) en nog weer later voor alle verzoekschriften. De fasering moet het mogelijk maken om het digitaal procederen beheerst te introduceren.

Vereenvoudiging en uniformering burgerlijk procesrecht
Het proces van digitalisering wordt ondersteund met een vereenvoudiging en uniformering van het burgerlijk procesrecht. Daarnaast wordt getracht procedures te versnellen door een versterking van de regierol van de rechter en door de invoering van wettelijke termijnen. De verschillen tussen procedures over vorderingen en verzoeken verminderen, doordat wordt bepaald dat alle civiele procedures beginnen met de indiening van een procesinleiding bij de rechtbank. Met een procesinleiding kunnen ook een verzoek en een vordering gezamenlijk aan de rechter worden voorgelegd, zodat griffierechten kunnen worden bespaard. De rechter beoordeelt of de gezamenlijke behandeling ook echt mogelijk is. Zo nee, dan worden de procedures door hem gesplitst. De verwachting is dat met name in arbeidszaken kan worden voorkomen dat rechtzoekenden verschillende procedures moeten starten over het ontslag en de ontslagvergoeding.
Wanneer de procedure een vordering betreft, moet de eiser zorgdragen voor kennisgeving van de procedure aan de verweerder. Op grond van het huidige recht schakelt de eiser daarvoor een deurwaarder in. Het voorstel maakt het mogelijk dat de eiser via informele weg kennis geeft van de indiening van de procesinleiding aan de wederpartij. De kosten van een deurwaarder kunnen daardoor worden uitgespaard. Wanneer de verweerder verschijnt in de procedure, kan deze op tegenspraak worden voortgezet. De mogelijkheid van mondeling verweer in kantonzaken blijft ook in de toekomst behouden. Indien de verweerder niet tijdig verschijnt, rijst de vraag of de informele kennisgeving hem werkelijk heeft bereikt. De eiser krijgt in dat geval een nieuwe termijn om de verweerder alsnog te laten oproepen door de deurwaarder. Verschijnt de verweerder ook dan niet, dan zal de rechter een verstekvonnis kunnen wijzen.
Voor vorderingen en verzoeken wordt in de wet een meer uniforme procedure voorgeschreven. Deze basisprocedure komt neer op één schriftelijke ronde voor beide partijen, een mondelinge behandeling en daarna de uitspraak. De invulling van de mondelinge behandeling wordt aan de rechter overgelaten, met dien verstande dat partijen altijd het recht hebben om hun zaak mondeling toe te lichten. Een separaat pleidooi is dan niet meer nodig. Tijdens de mondelinge behandeling kan de rechter ook getuigen of deskundigen horen of een schikking beproeven. Door de flexibele invulling van de mondelinge behandeling kan de rechter inspelen op de kenmerken van de voorliggende zaak. Een mondelinge behandeling wordt uiteraard niet georganiseerd in verstekzaken. In kantonzaken kan de rechter van een mondelinge behandeling afzien, tenzij één van de partijen verzoekt om een mondelinge behandeling. In het kader van de digitalisering is nog van belang dat het mogelijk wordt om een beeld- of geluidsopname van (een deel van) de zitting te maken ter vervanging van een schriftelijk proces-verbaal.
De rechter kan afwijken van de basisprocedure als de aard of complexiteit van de procedure daartoe aanleiding geeft. Zo kan hij in overleg met partijen beslissen dat een regiezitting plaatsvindt voorafgaand aan het indienen van een verweerschrift of dat later in de procedure toch nog een tweede schriftelijke ronde nodig is. Er wordt gestreefd naar vroegtijdig contact met partijen, zodat de rechter meer sturing kan geven aan het verloop van de procedure. Daardoor kan een deel van de procedures sneller verlopen en ook minder kostbaar worden. Ook de invoering van termijnen kan aan dat snellere verloop bijdragen. Het voorstel voorziet bijvoorbeeld in een termijn voor het indienen van een verweerschrift. Tegelijkertijd wordt ook een termijn bepaald voor de uitspraak van de rechter.

Internetconsultatie
De voorstellen zijn neergelegd in een voorontwerp van een wetsvoorstel. Over het voorontwerp is eind 2013 geconsulteerd via internet. Tegelijkertijd zijn informatiebijeenkomsten gehouden met rechters, advocaten en deurwaarders. Daarnaast is het voorontwerp voor advies voorgelegd aan de adviescommissie burgerlijk procesrecht en andere belanghebbende partijen. Adviezen zijn ontvangen van de genoemde adviescommissie, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het College bescherming persoonsgegevens, de Hoge Raad, de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, de Adviescommissies burgerlijk procesrecht en bestuursrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de Raad voor het openbaar bestuur, de Raad voor Rechtsbijstand, de Raad voor de rechtspraak, het Verbond van Verzekeraars en VNO-NCW en MKB. Via de internetconsultatie zijn aanvullend nog reacties ontvangen van onder meer enkele individuele advocatenkantoren en rechters.
De verschillende respondenten staan positief tegenover de voorgenomen digitalisering van procedures. Ook worden er geen fundamentele bezwaren geuit tegen het verplicht digitaal procederen. Door sommige respondenten is betoogd dat de natuurlijke persoon die procedeert in de uitoefening van een beroep of bedrijf (eenmanszaak) buiten de verplichting tot digitaal procederen moet blijven, omdat de (bestuurs)rechter niet altijd eenvoudig kan zien of iemand inderdaad optreedt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf of anderszins. Anderen vroegen zich af of kleine rechtspersonen voldoende professioneel zijn voor verplicht digitaal procederen. Veel respondenten stelden dat digitaal procederen niet verplicht kan worden gesteld voordat het digitale systeem van de gerechten naar behoren werkt, betrouwbaar en stabiel is. Vragen zijn gesteld over de bescherming van persoonsgegevens. Ook is benadrukt dat de nieuwe rechtsgang nader moet worden ingevuld met nieuwe landelijke procesreglementen, nieuwe werkprocessen bij de gerechten en (web)formulieren voor de uniformiteit van de rechtspleging.
De deurwaarders hebben bezwaar geuit tegen het uitgangspunt van het voorontwerp dat alle procedures beginnen met de indiening van de procesinleiding en pas daarna de kennisgeving van de procedure plaatsvindt aan de eventuele wederpartij. Zij stellen dat de deurwaarder in deze opzet niet langer kan voorkomen dat zinloze procedures worden aangebracht bij de rechtbank. De deurwaarders wijzen erop dat in de huidige praktijk een substantieel aantal procedures niet doorgezet wordt omdat de deurwaarder aangeeft dat de verweerder onvindbaar is of waarschijnlijk geen verhaal biedt. Ook merken de deurwaarders op dat zij veel fouten in dagvaardingen corrigeren. Wanneer de deurwaarder pas na de start van de procedure in beeld komt, wordt het digitale systeem van de gerechten belast met de noodzaak om die correcties steeds achteraf te verwerken. De deurwaarders bepleiten dat zij in staat worden gesteld om hun exploot uit te brengen voorafgaand aan het indienen van de procesinleiding. Verschillende (andere) respondenten hebben gepleit voor het behoud van een variant op een dagvaarding op lange termijn, zodat het uitbrengen van een dagvaarding kan worden gebruikt als drukmiddel voor onderhandelingen.
Meerdere respondenten hebben gevraagd om een nadere toelichting op de beoogde regierol van de rechter. Gevraagd is te verduidelijken dat met het vastleggen van de regierol niet is beoogd invloed te ontnemen aan partijen waar zij die onder huidig recht hebben. In elk geval moet de rechter partijen tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid stellen om hun standpunt toe te lichten, aldus vrijwel alle respondenten. Onder die voorwaarde is er geen bezwaar tegen het schrappen van het pleidooi als afzonderlijke processtap. Voorts is opgemerkt dat een regierol voor individuele rechters niet moet uitmonden in een vermindering van de uniforme rechtstoepassing in beslissingen over het verloop van de procedure en de uniforme controle op formaliteiten en termijnen.
In de consultatieronde is ook een reeks reacties van meer technische aard ontvangen ter verbetering van het voorontwerp. Het gaat dan bijvoorbeeld om het inpassen van nieuwe bepalingen in de bestaande structuur van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering en de gekozen terminologie. Afsluitend merk ik op dat een deel van de respondenten pleit voor een verdere stroomlijning van vordering- en verzoekprocedures en een herziening van het bewijsrecht.

Tot besluit
Het voorontwerp is inmiddels omgezet in een formeel wetsvoorstel, dat in april 2014 is behandeld in de ministerraad. Daarna is het voorstel verzonden naar de Raad van State voor advies.
Voor de aanpassing van de wetgeving wordt nauw samengewerkt met vertegenwoordigers van de gerechten en de Raad voor de rechtspraak (KEI Rechtspraak). KEI Rechtspraak is verder belast met het (doen) ontwerpen van het nieuwe webportaal dat het digitaal procederen mogelijk moet maken, de aansluiting van ketenpartners op dat webportaal dan wel aansluiting via een systeemkoppeling, de aanpassing van landelijke procesreglementen, de aanpassing van werkprocessen en de opleiding van rechters en andere medewerkers.
De beoogde vereenvoudiging, versnelling en digitalisering dragen bij aan de kwaliteit van de rechtspraak. De Minister van Veiligheid en Justitie wil bereiken dat de rechterlijke macht met de voorgestelde aanpassingen toegankelijker wordt voor rechtzoekenden en een eenvoudiger rechtsgang kan bieden in het burgerlijk recht en bestuursrecht.

Auteur: mr. Gerry ter Huurne is als programmadirecteur KEI verbonden aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie.
Bron: De Credit Manager, 2014, nummer 2.

 

Shares