De Haagse Commissie van de VVCM en het VCMB is gevraagd om een reactie te geven op het wetsvoorstel om betalingsafspraken tussen een grootbedrijf (als afnemer) en een MKB-er (als leverancier) langer dan 60 dagen nietig te verklaren.

De Haagse Commissie wil voorop stellen dat zij het wetsvoorstel volledig steunt. De Haagse Commissie wil voorts benadrukken dat dit zij dit initiatiefwetsvoorstel zeer sterk onderbouwd vindt en blijk vindt geven van een goed gevoel voor de dagelijkse praktijk. Het wetsvoorstel raakt daardoor de juiste snaar.

De Haagse Commissie onderschrijft dat van meet af aan duidelijk was dat de bestaande wet een ernstige weeffout bevat, waardoor de wet zijn doel grotendeels voorbij schiet. De Haagse Commissie ondersteunt dan ook het initiatief om die fout zo spoedig mogelijk te herstellen.

Ofschoon op het initiatiefwetsvoorstel zonder enige twijfel ook wel kritiek zal worden geleverd, denken wij dat de voorgestelde systematiek effectiever zal werken dan de maatregelen die in andere Europese landen zijn genomen om late betaling tegen te gaan.

Specifiek vraagt u ons om in te gaan op de vraag waarom een mkb-leverancier een betaaltermijn van langer dan 60 dagen zou willen contracteren. Ons zijn geen plausibele situaties bekend waarin een mkb-leverancier dit zou willen. Er zullen mogelijk partijen zijn die wel argumenten voor die stelling kunnen aandragen. Wij zijn in dat geval graag bereid mee te denken om betreffende argumenten te pareren.

Onderstaand treft u enkele opmerkingen op de Memorie van Toelichting aan:
1. Wij weten niet of het woord “verscherping” in de zinsnede: “Het wetsvoorstel is een verscherping van de Europese richtlijn Late betalingen” (pagina 1, tweede alinea) wel gelukkig gekozen is en geen vervelende vragen zal oproepen. Veeleer zouden wij willen kiezen voor “verdere uitwerking”.

2. Het probleem dat afnemers een dusdanige sterke onderhandelingspositie hebben, waardoor leveranciers indirect akkoord gaan met de lange betalingscondities van de afnemers is juist omschreven in de Memorie van Toelichting. De praktijk leert ons dat dit echter een deel van het probleem is. In de praktijk zien we namelijk dat leveranciers eerst afhankelijk worden gemaakt van de afnemer en dat vervolgens de betalingstermijnen worden opgerekt. Dit is een aanzienlijk kwalijkere situatie.

3. Onder het kopje “langere betaaltermijnen in keten” (pagina 3, vijfde alinea) is de volgende tekst opgenomen: uit onderzoek van Dun & Bradstreet blijkt dat betaaltermijnen van 60 dagen of langer in 2014 in 1,27% van de contracten voorkwam. Hoewel dit percentage op pagina 4 in perspectief wordt geplaatst, doet het toch nog vermoeden dat het om relatief weinig transacties gaat. Dit ten onrechte. In onderhavige situaties gaat het namelijk vaak om één raamovereenkomst, waaruit een enorme hoeveelheid transacties voortvloeien. Te denken valt aan de bakkerij groothandel, die dagelijks grote hoeveelheden brood aan de supermarktketens levert. Het repeterende karakter en de omvang van die leveranties is enorm. Dit komt thans onvoldoende tot uitdrukking in het wetsvoorstel.

4. Ook komt wat ons betreft onvoldoende naar voren dat een betalingstermijn vaak pas gaat lopen na een afteken/orderbon van de uitvoerder, het vermelden van een PO-nummer, etc., etc. In de praktijk worden dus allerlei voorwaarden gesteld aan het moment van het ingaan van de betalingstermijn. Daardoor is de feitelijke betalingstermijn aanzienlijk langer dan de overeengekomen betalingstermijn doet vermoeden.

5. Onder kop 4.1 “inhoud wetsvoorstel” (pagina 4) staat dat een vorderingsrecht voor de leverancier ontstaat op de afnemer om de wettelijke rente te vergoed te krijgen indien toch een te lange betaaltermijn wordt overeengekomen. Naar wij aannemen is dat onverminderd het recht om contractuele rente vergoed te krijgen indien partijen zijn overeengekomen dat bij te late betaling contractuele rente verschuldigd is. Deze contractuele rente wordt in nagenoeg alle algemene voorwaarden vastgesteld op een hoger percentage dan de wettelijke handelsrente. Dit aspect wordt thans niet belicht in de Memorie van Toelichting, waardoor het lijkt alsof een leverancier enkel de wettelijke handelsrente zou kunnen vorderen.

6. Onder kop 4.3.2 “zelfregulering” (pagina 7) wordt aangegeven dat het betalingsgedrag in Nederland de afgelopen periode is verbeterd en daardoor de vraag rijst of zelfregulering niet mogelijk is. Naar onze mening is de betalingstermijn thans verbeterd door een verbeterde economische situatie. Indien de economische situatie in de toekomst verslechtert, verwachten wij dat ook het betalingsgedrag weer zal verslechteren. Een en ander kan als extra argument worden opgenomen waarom zelfregulering geen goed middel is.

7. Onder kop 6 “Uitvoerings- en handhavingsaspecten” (pagina 9) worden argumenten genoemd waarom afnemers zich naar verwachting aan de nieuwe wet zullen houden. Van groot belang daarbij is te vermelden dat steeds meer bedrijven het belangrijk vinden om maatschappelijk verantwoord te ondernemen (mvo) en om ook een hoge mvo-certificering te hebben. Al is het maar omdat steeds meer partijen in het economisch verkeer alleen nog maar zaken doen met bedrijven die het maatschappelijk verantwoord ondernemen hoog in het vaandel hebben staan. Zo is het Algemeen Burger Pensioenfonds vanaf 2020 alleen nog maar bereid te beleggen in bedrijven die maatschappelijk verantwoord ondernemen. Een hoog mvo-statuut verenigt zich niet met het te laat betalen, laat staan met het handelen in strijd met de wet.

Ten aanzien van het wetsvoorstel hebben wij een drietal opmerkingen:
1. De geel gearceerde overweging vinden wij niet sterk. Vanwege de arcering gaan wij er vanuit dat dit nog wordt aangepast.

2. In overweging kan worden genomen om te bepalen wanneer de termijn van 60 dagen ingaat.
Zoals hierboven omschreven worden er vaak allerlei voorschriften gesteld die eerst vervuld moeten worden, alvorens de betalingstermijn gaat lopen. Voorkomen moet worden dat alsnog via een omweg later wordt betaald dan gewenst is. Wij realiseren ons dat dit punt moeilijk is te ondervangen in een wet, maar zijn desgewenst graag bereid mee te denken naar een voor de praktijk werkbare oplossing.

3. Het nieuwe artikel 6 is lastig leesbaar door de verwijzingen naar Boek 2 en de vele bijzinnen die gebruikt worden.

note: De VVCM is de Vereniging Voor Credit Management en vertegenwoordigt meer dan 1000 credit managers. Het VCMB is het Verbond van Credit Management Bedrijven. Alle toonaangevende bedrijven, die werkzaam zijn in het order-to-cash proces (creditmanagement) zijn vertegenwoordigd in het VCMB. Het VCMB vertegenwoordigt aldus de markt.

Shares