Klanten- en leverancierskrediet heeft een aandeel in de balans van productieondernemingen. Voor andere industrieën kunnen de balanskenmerken helemaal anders liggen. Dat is zeker het geval voor handelsondernemingen en dienstverlenende ondernemingen.

Bij de dienstverlenende ondernemingen vinden we uiteenlopende activiteiten. Als we deze sector als geheel bekijken, stellen we vast dat die op zich al zeer verscheiden en te groot wordt. In dat geval kunnen algemene conclusies sterk verstoord of vertekend worden door de grote spreiding van de resultaten. We kiezen er dan ook een bepaalde deelsector uit: adviesbureaus op het gebied van bedrijfsbeheer. We passen de analyse toe op de deelgroep waarvoor we over de meer gedetailleerde jaarrekening beschikken, in de praktijk dus de wat grotere ondernemingen.

Samenstelling steekproef
De gekozen sector ‘adviesbureaus op het gebied van bedrijfsbeheer’ omvat niet minder dan 32.435 ondernemingen. Als we daarvan de volledige jaarrekeningen behouden, blijven er nog 1.355 bedrijven over. Ook hier zijn er jaarrekeningen aanwezig van ondernemingen die geen echte activiteit (meer) uitoefenen. Als bijkomend selectiecriterium gebruiken we dan ook een minimumomzet. Ook ondernemingen die als financieringsmaatschappijen en holdings kunnen worden geïdentificeerd, worden verwijderd. Uiteindelijk houden we 999 gevallen over voor de analyse.

Intuïtieve benadering
Allereerst gaan we na wat de gevolgen van de specifieke activiteit kunnen zijn op de structuur van de jaarrekening. Een adviesbureau stelt speciale expertise en kennis ter beschikking aan andere ondernemingen: wat aangeboden en verkocht wordt, is de waardevolle tijd van de medewerkers. Een dienstverlenende onderneming zal dan ook vaak een ‘lichte’ balans vertonen. Daarmee bedoelen we dat er vrij weinig activa nodig zijn om een bepaalde omzet te realiseren. Er zullen weinig vaste activa zijn; wellicht wat informaticamateriaal en eventueel bedrijfswagens. Soms is de onderneming eigenaar van het bedrijfspand, en in dat geval is wel een belangrijker vast actief aanwezig. Andere actiefposten, zoals voorraden, zullen ook niet of nauwelijks voorkomen.
Handelsvorderingen, dus openstaande facturen van klanten, kunnen wel belangrijk zijn. Gezien de relatief geringe waarde van de andere actiefposten zal het aandeel in het balanstotaal vrij hoog zijn.
Ook in de verlies- en winstrekening komen bepaalde kenmerken naar voren. Kosten van grondstoffen en handelsgoederen zijn beperkt, personeelskosten doorgaans zeer belangrijk. Toch kan er ook een belangrijk aandeel van extern aangekochte diensten optreden. Ingehuurde expertise van collega’s bijvoorbeeld of vergoedingen van partners of medewerkers die niet als vast personeel gekenmerkt zijn, maar om allerhande redenen (onder andere fiscale) hun diensten ‘verkopen’ aan de onderneming.

Resultaten voor de steekproef
Bekijken we eerst enkele kenmerken van de steekproef (alle bedragen in € 1.000). De gemiddelde omzet is 8.534, maar met een mediaan van 737 die dus heel wat lager ligt, en een standaardafwijking van 82.042. Dat wijst op een zeer ruime spreiding van de waarden. Ook voor het personeelsbestand vinden we een gemiddelde van 36, maar een mediaan van 7. Er zijn trouwens 391 ondernemingen zonder personeel, althans geen personeel dat op de payroll van de onderneming staat.
De gemiddelde bedrijfsactiva bedragen 13.103, met een mediaan van 1.152. Dus ook hier opnieuw een aantal grote bedrijven die het gemiddelde naar boven tillen.
We hadden al aangegeven dat we verwachten dat de hoeveelheid activa die nodig zijn om een bepaalde omzet te behalen, relatief klein is. Dat kunnen we nagaan aan de hand van de zogenaamde rotatie: de verhouding tussen omzet en bedrijfsactiva. Die ligt in deze groep inderdaad zeer hoog, met een gemiddelde van 55.
De materiële vaste activa vertegenwoordigen gemiddeld 23% van de bedrijfsactiva, maar de mediaan ligt bij 3 en het derde kwartiel bij 37. We vinden dus een beperkte groep ondernemingen met een zeer groot aandeel van de vaste activa. Nadere analyse leert dat het in die gevallen vooral gaat om terreinen en gebouwen. Vandaar ook de op het eerste gezicht wat eigenaardige verdeling. De meeste ondernemingen uit deze sector hebben zeer weinig vaste activa. Maar als die er wel zijn, gaat het ineens om forse bedragen die dan overeenkomen met een bedrijfspand.
Het aandeel van de handelsdebiteuren in het balanstotaal bedraagt 34%. Ook als we de kwartielverdeling bekijken, komen we tot zeer hoge aandelen. Waar het eerste kwartiel nauwelijks 1,8% is, ligt de mediaan bij 19% en het derde kwartiel op 64%. Dat betekent dus dat voor een kwart van deze groep ondernemingen de handelsdebiteuren zowat 2/3 van het balanstotaal uitmaken. Bij het leverancierskrediet stellen we een sterke spreiding vast: het eerste kwartiel is slechts 1,2%, de mediaan ligt bij 9% en voor het derde kwartiel komen we al bij 32%.
Aangezien we in deze steekproef ook de omzet kennen, kunnen we ook de DSO berekenen. Hier vinden we een wat gelijkmatiger verdeling. Dat is ook wel voorspelbaar: de directe invloed van de grootte van de ondernemingen (die sterk uiteenloopt) op sommige kenmerken die in absolute waarden uitgedrukt worden, is bij een ratio zoals DSO afwezig. We vinden een gemiddelde waarde van 66 dagen en voor de mediaan precies hetzelfde aantal. Wel opnieuw een sterke spreiding: het derde kwartiel ligt bij 148 dagen.
Voor het aantal dagen leverancierskrediet vinden we lagere waarden: het gemiddelde ligt bij 18 dagen, het derde kwartiel bij 37.
We kijken ook nog even naar de resultatenrekening, met name naar de samenstelling van de bedrijfskosten. Voor de grondstofkosten vinden we gemiddeld 8% met een mediaan die gelijk is aan 0. Dus meer dan de helft van de ondernemingen in deze groep verbruikt nauwelijks of geen grondstoffen. Wel personeelskosten die gemiddeld op 25% van de totale bedrijfskosten uitkomen, en diensten die 55% vertegenwoordigen.

Per groottecategorie
Ook hier is het wellicht nuttig een verdere indeling per groottecategorie te maken. We delen de ondernemingen dan ook in op basis van het aantal personeelsleden.
Een eerste vreemde vaststelling in onderstaande tabel ligt bij de gemiddelde waarde van de bedrijfsactiva in elke groep. We zouden verwachten dat die gewoon toenemen met het aantal personeelsleden, maar dat blijkt niet zonder meer te kloppen: voor de ondernemingen met 25 tot 50 personeelsleden vinden we een zeer laag gemiddelde, voor de groep met 10 tot 25 een zeer hoge waarde.
Het aandeel van de voorraden is algemeen vrij laag, en neemt af naarmate de onderneming minder personeelsleden telt. Voor handelsvorderingen vinden we een belangrijk aandeel met een vrij grillig verloop. Dat geldt ook voor de leverancierskredieten, waarbij er een opvallende (maar niet echt verrassende) uitschieter is bij de ondernemingen zonder personeel met 82%.

Enkele voorzichtige conclusies
Sommige sectoren, en zeker de hier behandelde dienstensector, bevatten zeer uiteenlopende activiteiten. Daardoor kunnen ook de kenmerken van de jaarrekeningen sterk verschillen. We vinden in grote lijnen wel de verwachte kenmerken in de jaarrekening terug. Maar tevens stellen we vast dat er grote verschillen kunnen optreden en dat het dus niet voor de hand ligt een eenvoudig en algemeen geldig patroon te bepalen dat voor benchmarking kan worden gebruikt.

Auteur: Ludo Theunissen is voorzitter van het Instituut voor Kredietmanagement.
Bron: De Credit Manager, jaargang 2016, nummer 1.

Shares