De afgelopen twaalf maanden is er veel veranderd op het gebied van credit management. Op 1 juli 2012 is de Wet incassokosten1 in werking getreden en op 16 maart jl. zijn de wettelijke regels voor het incasseren van vorderingen uit handelstransacties deels herzien.2 In dit artikel geef ik een overzicht van de gevolgen van beide wetten voor de dagelijkse incassopraktijk inzake handelsvorderingen.

Incassokosten
De nieuwe regeling voor incassokosten bestaat uit twee aparte regelingen: de Wet incassokosten, hierna: ‘WIK’, en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, hierna: ‘het Besluit’.3

Het doel van de WIK is tweeledig:
1.    het wegnemen van onduidelijkheid over welke incassokosten redelijk zijn;
2.    het beschermen van consumenten en kleine bedrijven tegen onredelijke incassokosten.

Het Besluit werkt vervolgens uit hoe de incassokosten worden berekend. De vergoeding voor incassokosten wordt berekend als percentage van het verschuldigde bedrag (exclusief rente), waarbij het percentage lager wordt naarmate de vordering hoger wordt. Daarbij geldt een minimumbedrag van € 40 en een maximumbedrag van € 6.775.

De WIK geldt voor vorderingen waarvan de debiteur op of na 1 juli 2012 in verzuim is komen te verkeren.
Voor handelstransacties is de WIK, behalve het hierna te bespreken minimumbedrag, van regelend recht. Dat betekent dat bedrijven onderling afwijkende afspraken mogen maken. Regelen zij niets, dan geldt de regeling van de WIK.
Met de keuze van het minimumbedrag van € 40 is vooruitgelopen op de implementatie van de hierna te bespreken Europese richtlijn ter bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties, hierna: ‘de Richtlijn’.4,5 Het minimumbedrag is van dwingend recht, dus daarvan kan niet worden afgeweken.

Richtlijn: terugdringen betalingsachterstanden
De Richtlijn heeft tot doel – de naam zegt het al – het terugdringen van betalingsachterstanden bij handelstransacties. De Richtlijn geldt dus niet voor vorderingen van bedrijven op consumenten (B2C), voor geldvorderingen uit hoofde van schadevergoeding en voor geldvorderingen uit hoofde van andere betalingen dan handelstransacties.
De Richtlijn geeft minimumregels voor de gehele Europese Unie. De landen van de Europese Unie dienden de regels van de Richtlijn uiterlijk 16 maart 2013 in hun nationale recht te hebben geïmplementeerd. Op 16 maart jl. is de wet in werking getreden die de Richtlijn in het Nederlandse recht implementeert.6 De wet geldt voor overeenkomsten die zijn aangegaan op of na 16 maart 2013.
De Richtlijn en de wet maken onderscheid tussen handelsrelaties tussen bedrijven onderling (B2B) en handelsrelaties tussen bedrijven en de overheid.

Business-2-Business
Als je niets afspreekt over de betalingstermijn, dan bedraagt deze maximaal 30 dagen. Deze termijn start op het moment van ontvangst van de factuur. Is een aanvaardingstermijn of verificatieprocedure afgesproken waarbinnen de debiteur het geleverde kan beoordelen7 en ontvangt de debiteur de factuur vóórdat hij de prestatie heeft aanvaard of geverifieerd, dan eindigt de betalingstermijn 30 dagen na de dag waarop hij de ontvangen prestatie heeft aanvaard of waarop de verificatietermijn is verstreken.
Bedrijven kunnen een langere betalingstermijn van maximaal 60 dagen afspreken. Hiervoor moet wel een objectieve reden zijn, bijvoorbeeld als er sprake is van consignatie8 of als een vaste klant een langere betalingstermijn wordt gegund omdat hij in financieel zwaar weer verkeert.
In uitzonderlijke gevallen kan ook een langere termijn dan 60 dagen worden overeengekomen. Dit kan alleen als (i) de langere termijn expliciet is opgenomen in de schriftelijke overeenkomst9 en (ii) deze langere termijn niet kennelijk onbillijk is jegens de schuldeiser. Voorbeeld hiervan is als de verkoper de koper handelskrediet verleent.
Uiteraard is het – gezien de achterliggende gedachte van de Richtlijn en de wet en het feit dat de wet enkel een maximale termijn stelt – mogelijk om een kortere betalingstermijn af te spreken.10

Wettelijke handelsrente
De wettelijke handelsrente is verschuldigd vanaf de dag volgend op de dag die is overeengekomen als uiterste dag van betaling. Is geen uiterste dag overeengekomen, dan is de wettelijke handelsrente van rechtswege verschuldigd vanaf 30 dagen na ontvangst van de factuur.
De wettelijke handelsrente wordt berekend door het rentetarief waartegen een bank vervangend geld kan lenen, de herfinancieringsrente, te verhogen met een bepaalde opslag. Deze opslag was 7% en is op 16 maart 2013 opgehoogd naar 8%. Per 16 maart 2013 bedraagt de wettelijke handelsrente 8,75%. Dit percentage kan jaarlijks op 1 januari en 1 juli worden aangepast.
De Richtlijn gaat uit van een enkelvoudige wettelijke handelsrente. In Nederland kennen we sinds 1992 het systeem van samengestelde wettelijke (handels)rente. Dit houdt in dat de hoofdsom na verloop van één jaar wordt opgehoogd met de in dat jaar vervallen rente. Na één jaar wordt er dus rente over rente berekend. Het zou onlogisch zijn om van de wettelijke handelsrente een enkelvoudige rente te maken, omdat de prikkel om tijdig te betalen kleiner zou worden. De Nederlandse wetgever heeft de samengestelde rente gehandhaafd en wijkt in dat opzicht af van het minimum dat de Richtlijn voorschrijft.
Is afgesproken dat in termijnen betaald wordt, dan is de debiteur enkel rente verschuldigd over de achterstallige termijnen.

Overheid
Voor handelstransacties tussen bedrijven en overheid is een nieuw artikel in de wet opgenomen, artikel 6:119b BW. De regels voor de overheid zijn in enkele opzichten strenger dan die tussen bedrijven.
Ten eerste is de maximale betalingstermijn in beginsel 30 dagen (en niet 60 dagen). Enkel als de bijzondere aard of eigenschappen van de overeenkomst een langere termijn rechtvaardigen, kan een termijn van maximaal 60 dagen worden afgesproken.11
Ten tweede is de wettelijke handelsrente de minimaal door de overheid verschuldigde rente. Er kan dus geen lager percentage worden overeengekomen, maar wel een hoger percentage.
Ten derde geldt een aanvullende eis voor de verlenging van de aanvaardings- of verificatietermijn als sprake is van een aanbestedingsprocedure. In dat geval moet uit zowel de overeenkomst als uit de aanbestedingsdocumenten blijken dat partijen uitdrukkelijk een langere periode voor aanvaarding of verificatie van het geleverde zijn overeengekomen. Zo niet, dan geldt de termijn van 30 dagen.

Afsluiting
De regels zijn aangescherpt in het voordeel van de schuldeiser. Daarmee is de stok achter de deur om tijdig te betalen groter geworden. Om het betalingsgedrag daadwerkelijk te verbeteren, moeten schuldenaren beseffen dat het niet tijdig betalen tot meer kosten leidt. Zolang dat besef er niet is, zullen de nieuwe maatregelen niet het gewenste effect sorteren.

Noten
1 Wet van 15 maart 2012 tot wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de normering van de vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Gepubliceerd in Staatblad 2012, nr. 140.
2 Staatsblad 2012, 647.
3 Staatsblad 2012, nr. 141.
4 Richtlijn 2011/7/EU van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PbEU L48/1). Deze richtlijn is ook wel bekend als de ‘Late Payment Directive’.
5 De Richtlijn zet de WIK dus niet buitenspel, zoals Arjan Stigter stelt in zijn column in De Credit Mager 2012, nr. 4, p. 33.
6 Wet van 13 december 2012 tot wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten in verband met de implementatie van Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PbEU L 48/1). Gepubliceerd in Staatsblad 2012, 647.
7 Is een procedure voor aanvaarding of verificatie afgesproken, dan bedraagt die procedure maximaal 30 dagen vanaf de datum van ontvangst van de goederen of diensten. Een langere termijn kan worden afgesproken als in de overeenkomst uitdrukkelijk een langere termijn is overeengekomen en als daarbij geen sprake is van een kennelijke onbillijkheid jegens de schuldeiser (artikel 6:119b lid 4 BW). Voor 16 maart 2013 bestonden er geen beperkingen inzake de verificatie- en acceptatietermijn.
8 Consignatie houdt in dat de leverancier pas betaald wordt als de onderneming het geleverde zelf verkocht heeft.
9 Het opnemen van een langere termijn in algemene voorwaarden heeft dus geen werking.
10 De termijn van 30 dagen is dus geen verplichte minimumtermijn, zoals Arjan Stigter meent in zijn column in De Credit Manager 2012, nr. 4, p. 33.
11 Dit moet expliciet in de overeenkomst worden opgenomen. Het opnemen van een langere termijn in algemene voorwaarden volstaat dus niet.

Auteur: mr. Jeroen Veldhuis is advocaat bij Visser & Van Solkema Advocaten te Amsterdam. Jeroen blogt op persoonlijke titel op www.debloggendeadvocaat.nl en is ook actief op Twitter: @JMVeldhuis.
Bron: De Credit Manager, 2013, nummer 1.

Shares