De VVCM is aangesloten bij de FECMA, de Federation of European Credit Management Associations. President is Glen Bullivant, op-en-top Brits en voorzien van de daarbij horende Engelse humor. Zijn bijnaam in eigen land is ‘Mister Credit’, vanwege zijn niet te onderschatten bijdragen aan de ontwikkeling van credit management in Europa. Ik spreek Glen Bullivant, die onlangs is benoemd tot ‘Fellow of the Chartered Institute of Credit Management’, tijdens een FECMA-overleg in Brno. Daarbij leg ik hem een aantal vragen voor over zijn loopbaan en zijn visie op credit management in historisch en sociaaleconomisch perspectief.

Welke invloed heeft uw werk gehad op de ontwikkeling en emancipatie van ons vakgebied in Groot-Brittannië en Europa?
‘Sinds ik lid werd van het Institute of Credit Management (ICM) in het Verenigd Koninkrijk in 1974, heb ik altijd geloofd in de ontwikkeling van credit management als een op zichzelf staand beroep, en niet slechts in een ondergeschikte rol voor iemand in een ‘back office’ functie, uitgevoerd door personeel dat slechts beschouwd werd als incassant van openstaande facturen. Credit management is van vitaal belang voor het economisch welbevinden, zelfs overleving, van elk bedrijf. Ik definieer de rol van het credit management als bevordering van het maximum aan winstgevende verkopen, in de kortste tijd, tegen minimale reservering voor slechte debiteuren.
De nadruk ligt dus op winstgevende verkopen, wat inhoudt dat de credit manager een manier moet zien te vinden om ‘ja’ te zeggen tegen elke verkooporder die winst belooft te genereren. Een ‘ja’ tegen een dubieuze order zonder waarborgen kan verliesgevend zijn, waar een ‘ja’ in combinatie met de nodige garanties winst betekent. Op mijn eigen bescheiden manier zocht ik erkenning voor het credit management, als een legitiem beroep, te vergelijken met accountants, advocaten, architecten, etc.
Ik ben ook altijd actief betrokken geweest bij de opleiding- en trainingsprogramma’s van het CICM, waarvan de kwalificaties verkregen dienen te worden om te worden erkend door ‘Her Majesty’s Government’. Mijn eigen bijdrage is slechts één uit vele geweest, en de toekenning aan CICM van de zogeheten ‘Chartered Status’ in 2014 heeft uiteindelijk de creditmanagementfunctie op het niveau gebracht van een zowel nationaal als internationaal erkende professie.
Ik ben altijd overtuigd geweest van eenzelfde doelstelling in alle landen. Sinds de oprichting van de FECMA in 1986, in eerste instantie op initiatief van het CICM, is het voor mij een voorrecht geweest om actief betrokken te zijn bij de ontwikkeling van beroepsverenigingen in heel Europa. De FECMA heeft zich ontwikkeld tot een alom gerespecteerde organisatie, en zal blijven groeien.’

Ruim tien jaar geleden werd uw handboek ‘Credit Management’ voor het eerst uitgegeven. Welke historische en culturele ontwikkelingen ziet u als mogelijke verklaring voor de verschillen in het credit- en risicomanagement binnen de Anglo-Amerikaanse wereld versus die in continentaal Europa?
‘Het herziene en later volledig herschreven handboek ‘Credit Management’ was – zou je kunnen zeggen – een soort liefdewerk. Het was mijn intentie om een boek te publiceren dat enerzijds alomvattend was, maar anderzijds geschreven in een goed leesbare en relevante stijl. Natuurlijk moest het boek ook worden aangepast om eigentijdse technologieën toegankelijk te maken voor credit managers, die in 1976 nog niet eens zichtbaar waren.
Je vraag veronderstelt dat er een belangrijk verschil zou zijn tussen het Verenigd Koninkrijk en de rest van Europa, zowel cultureel als economisch. Ik ben er altijd van overtuigd geweest dat de economie van het VK meer transatlantisch dan Europees gericht is. De Verenigde Staten ontwikkelden zich tot ‘s werelds eerste consumptiegedreven economie, gebaseerd op een omvangrijke bevolking die naar verbetering en welzijn hunkerde. Zij waren de eersten die manieren vonden om de productie op te jagen en de verkoop aan particulieren door goedkope vormen van krediet op een hoger niveau te brengen. Gespreide betaling, gepaard aan constante productverbetering en productbeschikbaarheid, mondde uit in massaproductie, marketing, reclame en een ‘24-uurs’ economie. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog werd deze trend versterkt en gecontinueerd, waarbij consumenten in de VS en het VK (bijna!) dezelfde taal en gelijkluidende aspiraties met elkaar deelden.
Veel landen in continentaal Europa importeerden invloeden uit de VS in culturele zin, zoals fastfoodrestaurants, maar bleven individueel en afwijkend in termen van consumentenattitudes. Amerikanen koesteren – evenals de Britten – een streven om huiseigenaar te worden, in afwijking van sommige Europeanen op het continent. In Duitsland is de maakindustrie de drijvende kracht van de economie, en dat zal zo blijven zolang de eurozone hier volledig van afhankelijk is. Frankrijk, Spanje, Italië, Griekenland (en de rest) worden nog altijd geconfronteerd met het feit dat volledige pensionering op 60-jarige leeftijd en hoge kosten van sociale voorzieningen op termijn onhoudbaar zijn.
Ik voorzie vooralsnog geen belangrijke verandering in dat scenario, en evenmin verwacht ik dat de VS en het VK zich zullen afwenden van het consumentisme. Veel waarschijnlijker acht ik de kans dat het consumentisme uiteindelijk een steeds grotere rol zal spelen in de toekomstige economieën van continentaal Europa. Europa bestaat uit vele landen, talen, culturen en tradities, die erkend en gerespecteerd moeten blijven. Een Verenigde Staten van Europa is geen optie – een Europese Economische Gemeenschap is dat wel.’

We zitten al meer dan zes jaar in een economische crisis. Wat is de betekenis hiervan voor de positie van het creditmanagementvak?
‘Lehman Brothers in 2008 was niet het eerste geval. Al in 1866 stortte een grote Britse bank in als gevolg van onverantwoordelijke leningen, vergiftigde schulden etc., waarna de Bank of England moest ingrijpen om de financiële markt te stutten, paniek te voorkomen en grootschalige faillissementen voor te zijn. Samen met eerdere faillissementen van kleine banken in 1847 vormde dit het begin van de zogenaamde ‘kredietbeschermingsbeweging’ in het VK.
De ineenstorting van Lehman Brothers, en de bijna-teloorgang van Britse banken, zoals Royal Bank of Scotland en Lloyds Bank, was een gevolg van hebzucht en had niets te maken met credit management. Achtereenvolgende reddingsoperaties door de Britse regering toonden de noodzaak aan van meer verantwoorde leningen, actief en verstandig management, en zorg en aandacht voor de klant. Daarom zal de relevantie van het beroep van credit manager alleen maar verder toenemen.’

Het ledenaantal van onder meer het CICM in het Verenigd Koninkrijk en de VVCM in Nederland daalt. Hoe verklaart u deze ontwikkeling?
‘Een interessante vraag! Persoonlijk denk ik dat het antwoord tweevoudig is. Fusies en overnames, reorganisaties, shared service centra en een algemeen gebrek aan economische stabiliteit hebben geleid tot een terugloop in werkgelegenheid en carrièreperspectief. Ook kan gezegd worden dat door de technologische vooruitgang, die risicoanalisten en incassospecialisten juist helpt, minder werknemers nodig zijn om deze rollen te vervullen. Maar nieuwe economische groei zal de toetreding tot ons vak juist weer stimuleren. Er zijn tekenen dat de afname in ledenaantal van het CICM is afgezwakt en alweer een opgaande lijn vertoont.
Anderzijds is het antwoord: het gaat om opleiding! Jongeren zien minder dan ouderen heil in het lidmaatschap van een beroepsvereniging, bezoek van vakbijeenkomsten en persoonlijk contact als netwerken. Er is een generatie opgegroeid die netwerken opvat in termen van sociale media, e-mail, internet, etc. Deze generatie heeft geleidelijk de beheersing van de kunst van zakelijke communicatie verloren. Op dat punt eist opleiding haar rol op; een B2B e-mail is een zakelijke brief, niet meer en niet minder, geen uitnodiging voor een feestje bij mij thuis!
Klaag dus niet over ‘die goeie ouwe tijd’. Beter is het om nieuwe technologie te omarmen en deze constructief in te zetten als nuttig instrument in de gereedschapskist van de credit manager. Het is boeiend om ondanks al die notebooks en mobieltjes een herleving te zien van de waarde van persoonlijke ontmoeting. Uiteindelijk is de cirkel rond en zullen de ledenaantallen weer groeien.’

De positie van Shared Service Centers in Centraal- en Oost-Europa groeit. Hoe kijkt u aan tegen de bedreigingen en kansen voor het credit management in Europa als essentieel vakgebied in (grote) ondernemingen?
‘Naar mijn mening is de sector van de zogeheten ‘offshore’ Shared Services Centers over haar hoogtepunt heen. In het VK zien wij ondernemingen die hun SSC’s weer hebben teruggebracht. De redenen daarvoor zijn vermoedelijk van economische aard, omdat het salarisniveau in de Centraal- en Oost-Europese landen is gestegen. Onvermijdelijk neemt de economische aantrekkingskracht daar af, de voordelen worden kleiner. Anderzijds zullen de Centraal- en Oost-Europese economieën zich blijven ontwikkelen. Men zal naar credit management kijken als professie om aan dit proces (mede) leiding en sturing te geven. Binnen de FECMA zien wij de opkomst van creditmanagementverenigingen in landen zoals Hongarije en Tsjechië. Deze ontwikkeling is in eerste instantie gestimuleerd door de sterke aanwezigheid van de SSC-sector en zal verder toenemen naarmate beter tegemoet wordt gekomen aan de behoeften en aspiraties van het Hongaarse en Tsjechische bedrijfsleven. Het recent opgerichte Russische Instituut voor Credit Management is een goed voorbeeld van de voortgaande groeidoelstelling in het creditmanagementvak. Maar die groei moet wel worden aangemoedigd en ondersteund.’

Wat is uw visie op internationale edities van uw handboek ‘Credit Management’ in andere talen, zoals het Frans, Duits, Pools en Nederlands?
‘Dit is precies wat we bij de FECMA met onze online websitegids beogen. De beste mensen die een Nederlandse editie kunnen maken, zijn de Nederlanders. Als alle bij de FECMA aangesloten verenigingen nationale variaties op de bestaande teksten op onze website plaatsen, is dat de verwezenlijking van een echt ‘internationale’ gids. Ik overweeg geen internationale edities van ‘Credit Management’. Ik houd van Goudse kaas, maar ik ben geen Hollander!’

Het CICM beschikt over een succesvolle lobby in de Britse politiek. Voorzitter Philip King heeft rechtstreeks toegang tot bewindslieden in het kabinet, tot en met premier David Cameron aan toe. De Prompt Payment Code werd in het parlement geïntroduceerd door de minister van Economische Zaken. In Nederland kijken wij hier met jaloezie naar. Wat is het geheim van dit politieke succes?
‘Deze vraag kan beter aan Philip King worden gesteld dan aan mij. Het CICM heeft er altijd naar gestreefd toegang te verkrijgen tot de regering, via de verschillende departementen, zoals het ‘Department for Business, Innovation and Skills’ (BIS), en de (top)ambtenaren. Regeringen wisselen, ministers komen en gaan, maar de ‘officials’ blijven. Zo kunnen wij ideeën planten, als zaden, en soms commentaar geven op wat ministers zeggen.
Uiteraard hebben wij de helpende hand geboden bij het publieke debat dat jarenlang gevoerd is over te late betalingen. En met succes – in vele opzichten was de Prompt Payment Code een idee van het CICM. Of op zijn minst een zaadje dat daarvoor geplant was. De regering zag graag dat er iets gedaan werd, dat er iets gebeurde. Daar plukken wij de vruchten van. Niet alle regeringen hebben dezelfde ideeën – dat heet democratie, geloof ik – dus wie er ook wint in mei (Referendum over het lidmaatschap van de Europese Unie, JM), men zal voor nieuwe uitdagingen staan. Zolang wij maar op de BIS-telefoonlijst voorkomen, zal het CICM altijd een voet tussen de deur hebben bij de Britse regering.’

Bron: De Credit Manager, nummer 1 , jaargang 2015.
Auteur: Jan Moes is bestuurslid van de VVCM.

 

Shares