Ook zonder financiële crisis zorgen faillissementen wereldwijd voor waardevernietiging. Wat betekent dat? Dat er altijd rekeningen te betalen zullen zijn. Wie ervoor opdraait, is afhankelijk van de omstandigheden, maar het zijn niet alleen de eigenaars of aandeelhouders van de gefailleerde onderneming die het gelag betalen: ook de personeelsleden die hun baan verliezen, leveranciers die een klant kwijtraken (plus openstaande vorderingen), klanten, overheid…

Faillissementen in België
In België kennen we geen faillissement van privépersonen of consumenten. Wel van vennootschappen en zelfstandige ondernemers. Dat de faillissementen in 2012 naar een record gaan, is helaas een vaststaand feit. De toename in de afgelopen jaren heeft ook in België de wetgever ertoe aangezet om manieren te bedenken om het tij te keren.
Uit een analyse van cijfers en uit allerhande enquêtes naar de oorzaken van falingen blijkt dat in een aantal gevallen de structuur en de basis van de onderneming zo zwak waren dat het vroeg of laat fataal moest aflopen. In andere gevallen echter gaat het om problemen die tijdelijk van aard zijn. Ofwel, het betreft een intrinsiek gezonde economische activiteit die winstgevend zou kunnen zijn. En die dus toegevoegde waarde en banen kan creëren.
De directe aanleiding voor een faillissement is een liquiditeitstekort. De wetgeving stipuleert immers dat een faillissement wordt uitgesproken als de ‘handelaar’ op een duurzame manier heeft opgehouden te betalen en zijn krediet wankelt. Met andere woorden, als hij niet in staat is zijn betalingsverplichtingen na te komen.

Liquiditeitstekort
Het kan wel degelijk gebeuren dat een onderneming door commerciële, technische of financiële tegenslagen in een plotse storm terechtkomt. Bij een jonge onderneming bijvoorbeeld kan een onverwachte tegenslag voldoende zijn, hoewel ook gevestigde bedrijven in moeilijkheden kunnen komen. Het faillissement van een belangrijke klant bij wie men nog een behoorlijk bedrag aan vorderingen heeft openstaan, kan al volstaan. Er zijn tal van factoren die tot een liquiditeitstekort kunnen leiden zonder dat er echt een structureel probleem is. In dat geval zit men dus met een op zich levensvatbare onderneming, die tegen betalingsproblemen aanbotst. Vaak zal het hierbij om ondernemingen gaan die al in zekere mate kwetsbaar waren. Ook zal men vaststellen dat het erkennen van en het naar buiten komen van de problemen veel te laat gebeurt.
Op het eerste gezicht is de uitkomst, hoe dramatisch ook voor de betrokkenen, vrij logisch: de onderneming gaat failliet en zal dus wellicht gewoon vereffend worden. Tegen een fractie van de waarde die de onderneming zou hebben in ‘going concern’.

Wetgeving
Daarom dan ook de vraag: als het om een tijdelijk probleem gaat, waar een al dan niet duidelijke oplossing voor bestaat, moet dan niet alles in het werk gesteld worden om de onderneming, of op zijn minst haar economische activiteit (en dus de werkgelegenheid), te redden?
In België is, net als in andere landen, een speciaal statuut uitgewerkt om deze ondernemingen toch overlevingskansen te geven. We kennen de systemen zoals chapter 11 in de Verenigde Staten. De naam verwijst naar het hoofdstuk uit de Amerikaanse faillissementswetgeving (hoofdstuk 7 gaat over de liquidatie), en geeft de onderneming in moeilijkheden de kans om een herstelplan uit te werken.
In België kenden we het ‘gerechtelijk akkoord’, dat echter niet succesvol was. Er werd vrij weinig beroep op gedaan en de meeste ondernemingen die erin stapten, slaagden er toch niet in te overleven. Het gerechtelijk akkoord had dan ook een kwalijke reputatie opgebouwd als eerste stap op weg naar een waarschijnlijk faillissement. Dat leidde ertoe dat een nieuw systeem nodig was, dat die reputatie niet moest meeslepen. Vandaar dat in 2009 de ‘Wet op de Continuïteit van de Onderneming’ is uitgevaardigd, afgekort tot WCO. Deze is op 1 april 2009 van kracht geworden en heeft dus intussen een historie van drie jaar opgebouwd.

Korte beschrijving van de WCO
De WCO biedt verschillende trajecten aan voor de redding van de onderneming. De meest voorkomende vorm is de reorganisatie door collectief akkoord. De onderneming vraagt de bescherming aan bij de handelsrechtbank, die op korte termijn beslist over de toekenning van een termijn van eerste opschorting. Die bedraagt maximaal zes maanden, maar kan eventueel worden verlengd. Dat geeft de onderneming bescherming tegen haar schuldeisers, en tevens de tijd en de kans om een herstelplan uit te werken dat door de schuldeisers moet worden goedgekeurd.

Nuttig en nodig?
Terug naar de basisvraag: is het nuttig of nodig dat de overheid ingrijpt, of op zijn minst kanalen en technieken beschikbaar stelt aan ondernemingen in moeilijkheden om ze te redden? Op het eerste gezicht is het antwoord voor de meeste mensen positief. Als we een statuut kunnen bedenken waardoor activiteiten en werkgelegenheid gered worden, moeten we dat zeker doen. Toch zijn er ook kritische kanttekeningen te plaatsen.
Om te beginnen is er de kwestie van concurrentievervalsing. Een onderneming die er niet in is geslaagd de concurrentie met de collega’s te overleven, wordt – met hulp en bemiddeling van de overheid – gered op basis van niet voor iedereen gelijke voorwaarden. In feite komt het er dus op neer dat er voor de overleving van de zwakkeren wordt gezorgd – Darwin zou het niet graag horen.
Is het zo dat er werkgelegenheid gered wordt? In eerste instantie wel bij de onderneming die de bescherming krijgt, maar het risico bestaat dat dit ten koste gaat van de werkgelegenheid bij een andere onderneming die geen bijzonder statuut heeft gekregen! Een minnelijk akkoord waarbij schuldeisers (financiële, overheid en commerciële) een belangrijk deel van hun vorderingen laten vallen, betekent hoe dan ook dat deze onderneming haar goederen en diensten kan (blijven) aanbieden tegen voorwaarden die niet overeenkomen met een marktconform rendabel bedrijfsproces. Bovendien valt te betwijfelen of de leveranciers in staat en bereid zullen zijn aan al hun klanten een dergelijke kwijtschelding van schulden toe te staan. Wellicht niet, dus….
Een ander punt: in de praktijk blijkt dat de WCO vaak slechts tot uitstel van executie leidt; niet alle ondernemingen worden daadwerkelijk gered. De aanvraag komt in veel gevallen ruimschoots te laat: pas als echt duidelijk is dat het niet meer zal lukken zonder bijzondere maatregelen, zal de onderneming in de WCO treden. De kamers voor handelsonderzoek verbonden aan de handelsrechtbanken proberen wel de ondernemingen die in moeilijkheden kunnen komen vroegtijdig op te sporen, maar hun mogelijkheden zijn niet onbeperkt (en dat is een stevig eufemisme).
Er is bovendien behoorlijk wat kritiek op de procedure, waarbij de eerste fase van de bescherming te gemakkelijk (automatisch) wordt toegekend: ook minder bonafide ondernemers weten dit en maken gebruik van deze mogelijkheden om snel en eenvoudig tot twee maanden vrij te zijn van vervolging (ook door het parket ingeval die bijvoorbeeld een onderzoek wegens fraude zouden willen openen ).

Conclusie
Op het eerste gezicht lijkt het nuttig en noodzakelijk dat de overheid gezonde ondernemingen die met tijdelijke liquiditeitsproblemen kampen de mogelijkheid biedt om via een herstelplan en een akkoord met de schuldeisers te kunnen overleven. Dat moet echter wel gebeuren voor het te laat is. Hoe meer ondernemingen een tijdig beroep doen op de procedure, des te minder zal het beeld van de WCO overheersen als eerste stap naar het faillissement. Anderzijds moet ervoor worden gezorgd dat geen concurrentieverstoring optreedt en moeten de mogelijkheden om deze bescherming te misbruiken worden beperkt.

Auteur: Ludo Theunissen is voorzitter van het Instituut voor Kredietmanagement.
Bron: De Credit Manager, 2012, nummer 4.

Shares